Sint Liduina

Sint Liduina van SchiedamDe heilige Liduina van Schiedam is de patrones van de chronisch zieken. Haar naam betekent ‘de mensenvriendin’. Het is dus niet zo verwonderlijk dat een landelijke en een plaatselijke vereniging voor invaliden zich met haar naam tooiden.

Op de kerkelijke kalender is 14 april haar naamdag. Voornamen als Lionel, Leontine, Leonhard, Leopold, Leon en Leonie zijn van haar naam afgeleid.

Liduina of Lidwina wordt afgebeeld met rozen of een rozentak. De roos symboliseert haar liefde tot God, die ervoor zorgde dat zij haar lijden aankon. In haar hand heeft ze een kruis.

Liduina werd op palmzondag 18 maart 1380 in Schiedam geboren, als enige dochter  van Peter en Petronella, tussen acht broers. Bij het doopsel kreeg zij de naam Lijdwijt.

Zij was een bijzonder aantrekkelijk, maar ook vroom en godvruchtig meisje. Zij wilde haar leven aan God wijden.

Op haar twaalfde kreeg zij, niet voor de eerste keer overigens, een huwelijksaanzoek. Ondanks een dringend advies van haar vader om dit verzoek niet af te wijzen, weigerde ze. Zij zou iets gezegd hebben in de trant van: “Als u mij dwingt, dan zal ik God bidden mij zo te mismaken dat geen enkele man mij meer begeren zal.” Kort daarop werd zij ernstig ziek, maar wonder boven wonder herstelde zij hiervan.

Op vijftienjarige leeftijd kwam Lijdwijt tijdens de strenge winter van 1394-1395 bij een schaatstochtje op de bevroren Maas ten val. Ze brak een rib en werd thuis op bed gelegd. Waarschijnlijk was er niet veel aandacht voor het zieke meisje, in dit drukke gezin, waarvan de vader nachtwaker was.

Dat was het begin van haar lijdensweg. Door koudvuur raakte zij verlamd. Lopen kon ze niet meer, voedsel kon zij amper binnenhouden, en ook kon zij steeds slechter horen. Zij heeft haar bed nooit meer verlaten. Pijn, koorts en gezwellen teisterden haar lichaam.

Uit haar wonden bloedde zij soms, en dit bloed (b)leek een geneeskrachtige werking te hebben. Van heinde en verre kwamen zieken naar Schiedam om door haar genezen of op zijn minst bemoedigd te worden.

Volgens de overlevering droeg zij, na een eerste periode van verzet,  uiteindelijk dit lijden geduldig en blijmoedig. Een priester, Jan Pot, steunde  en begeleidde haar, en maakte haar duidelijk dat haar leven een goddelijke opdracht was. Ze klaagde niet meer, maar aanvaardde haar lot. Daarbij vond zij troost in de H. Communie en in het overdenken van het lijden van de Heer.

Liduina beleefde visioenen en geestvervoeringen en in extase bezocht zij samen met haar engelbewaarder Rome, het Heilig Land, hemel, hel en vagevuur. Tijdens één van haar reizen naar het paradijs zag zij een rozenstruik. Haar engelbewaarder gaf haar hiervan een tak en deelde haar mee, dat ze niet zou sterven voordat alle rozen ontloken waren.

Van heinde en verre kwamen mensen Liduina bezoeken en om hulp vragen.

Enkele maanden voor haar overlijden meende Liduina dat de rozenstruik tot volle wasdom gekomen was. Ze stierf op dinsdag 14 april 1433,  na een ziekbed van 38 jaar.

Op 17 april 1433 werd Liduina op het kerkhof van de Sint-Janskerk in Schiedam onder grote belangstelling begraven. De kist stond op balken die dwars over de bodem van het graf lagen en werd niet met aarde bedekt. Liduina had uitdrukkelijk verzocht haar stoffelijk overschot niet met aarde in contact te brengen omdat zij zelf meer dan dertig jaar geen voet op de grond had gezet. In datzelfde jaar werd al een kapel boven haar graf gebouwd.

Op 14 maart 1890 werd zij heilig verklaard. In de Sint Liduinakerk in Schiedam, die in 1990 tot Basiliek werd verheven, worden het beeld en de relieken bewaard, en wordt jaarlijks het feest van de Heilige Liduina gevierd, op de tweede zondag na Pasen.

Ook inspireerde Liduina talloze kunstenaars.

Lees hier meer over Sint Liduina

De bouwpastoor van de H.Hartkerk, pastoor J.B.W.M. Möller, schreef een lijvig boek over Liduina (“Sint Liduina van Schiedam”), nadat hij  eerder al een toneelspel over haar leven had geschreven.
Dit boek kent twee drukken. De eerste is uit 1942 en bevat tekeningen van Antoon van Welie. De tweede druk kwam in 1948 uit, na de dood van Möller, en bevat tekeningen van Frans Hamer. Lees meer